Kleine psychiatrie – J.H. van den Berg

Inleiding
Kleine psychiatrie werd geschreven door prof. dr. Jan Hendrik van den Berg (1914–2012), een Nederlandse psychiater en schrijver. Het boek was oorspronkelijk bedoeld voor studenten en voor mensen die de psychiater in hun werk bijstonden of vervingen.
Van den Berg schreef veel meer dan alleen over psychiatrie. Hij werd vooral bekend door de metabletica, door hem omschreven als de ‘leer der veranderingen’. Zijn boeken werden veel gelezen en verschillende werken verschenen ook in andere talen.
Maar juist Kleine psychiatrie vind ik interessant omdat het een inkijkje geeft in de psychiatrie van zijn tijd. Mijn exemplaar komt uit de jaren zestig en alleen al aan de inhoudsopgave zie je hoeveel er sindsdien veranderd is.
Een psychiatrie uit een andere tijd
De hoofdstukken behandelen onderwerpen als schizofrenie, epilepsie, depressie, suïcide, verslaving, ouderdom en neurose. Maar er staan ook hoofdstukken tussen met titels als Psychische stoornissen bij de vrouw, Oligofrenie en Psychopathie.
Dat zijn termen en indelingen die we tegenwoordig anders zouden gebruiken of die inmiddels helemaal uit de psychiatrische diagnostiek zijn verdwenen. Juist daarom vind ik oude psychiatrieboeken zo interessant. Ze vertellen niet alleen iets over bepaalde ziektebeelden, maar ook over hoe er in een bepaalde periode naar mensen en psychische problemen werd gekeken.
De patiënt bleef mens
Wat mij misschien nog het meest opviel, staat helemaal aan het begin van het boek.
Van den Berg geeft daar een aantal uitgangspunten mee voor mensen die met psychiatrische patiënten werken. Zijn taal is inmiddels behoorlijk gedateerd, maar achter die woorden zit een gedachte die ik juist verrassend modern vind.
Hij benadrukt dat je een patiënt niet alleen moet beoordelen op hoe iemand er op dat moment aan toe is. Aan psychiatrische problemen kan een lange en verdrietige geschiedenis vooraf zijn gegaan. Om iemand te begrijpen, moet je daarom ook proberen die geschiedenis te kennen.
Nog opvallender vind ik dat hij benadrukt dat iemand vóór zijn ziekte ook gewoon een leven had. Iemand was kind, werd volwassen, had relaties, misschien een partner, kinderen of werk. Een psychiatrische aandoening verandert daar volgens Van den Berg niets aan: de patiënt was mens en bleef mens.
Ook kijkt hij verder dan alleen naar de individuele patiënt. Familie, relaties en de manier waarop de omgeving over psychiatrische problemen denkt, kunnen volgens hem allemaal invloed hebben. Daarnaast beschrijft hij de schaamte die iemand zelf over zijn psychiatrische ziekte kan ervaren. Dan draagt iemand volgens hem eigenlijk twee lasten: de ziekte zelf én het oordeel over die ziekte.
Ik vind dat een bijzonder gedeelte om nu terug te lezen.
Oud en tegelijkertijd herkenbaar
Juist daar ontstaat voor mij een interessant contrast.
Aan de ene kant lees je een psychiatrieboek uit de jaren zestig. De terminologie is soms sterk verouderd en ook de indeling van psychiatrische aandoeningen verschilt behoorlijk van hoe we er tegenwoordig naar kijken.
Aan de andere kant schrijft Van den Berg dingen over de omgang met patiënten die ik nog steeds herken in de huidige zorg. Niet alleen naar een diagnose kijken, maar naar de persoon. Proberen te begrijpen waar gedrag vandaan komt. Rekening houden met iemands levensgeschiedenis en sociale omgeving. En vooral: iemand niet reduceren tot zijn psychiatrische aandoening.
Dat maakt het boek voor mij meer dan alleen een oud studieboek.
Behandeling in de jaren zestig
Ook de behandeling van psychiatrische aandoeningen komt aan bod, maar op een heel andere manier dan je in een modern psychiatrieboek zou verwachten. Psychofarmaca krijgen bijvoorbeeld relatief weinig aandacht.
Een mooi tijdsdocument in het boek is een advertentie voor Limbitrol, een combinatiepreparaat van amitriptyline en chloordiazepoxide. Alleen al de manier waarop zo’n geneesmiddel destijds werd gepresenteerd, zegt iets over de plaats die medicatie in de psychiatrie van die periode innam.

Dat soort details maken oude boeken voor mij juist interessant. Je leest niet alleen de theorie, maar krijgt via foto’s, advertenties, woordgebruik en voorbeelden ook iets mee van de tijd waarin het boek verscheen.
Mijn ervaring met het boek
Kleine psychiatrie is daardoor geen boek dat ik zou lezen om te leren hoe psychiatrische zorg tegenwoordig moet worden uitgevoerd. Daarvoor is het simpelweg te oud en is er te veel veranderd.
Maar als tijdsdocument vind ik het juist erg interessant.
Sommige hoofdstukken laten heel duidelijk zien hoeveel de psychiatrie sinds de jaren zestig is veranderd. Terminologie die toen heel gewoon was, klinkt tegenwoordig vreemd of zelfs ongemakkelijk. Andere passages zijn juist verrassend herkenbaar.
Vooral de nadruk die Van den Berg legt op het blijven zien van de mens achter de psychiatrische aandoening is me bijgebleven. Meer dan een halve eeuw later is dat uitgangspunt nog steeds relevant.
Conclusie
Kleine psychiatrie geeft een bijzonder inkijkje in de Nederlandse psychiatrie van de jaren zestig. Niet alles heeft de tand des tijds doorstaan — en juist dat maakt het boek interessant.
Voor mij zit de waarde dan ook vooral in het verschil tussen toen en nu. Hoe werd er over psychiatrische aandoeningen gesproken? Welke diagnoses werden gebruikt? Welke behandelingen waren beschikbaar? En welke ideeën herkennen we vandaag nog steeds?
Van den Berg schreef in een andere tijd en gebruikte de taal van die tijd. Toch staat tussen die verouderde terminologie een boodschap die opvallend actueel blijft: achter een psychiatrische diagnose zit een mens met een geschiedenis, relaties en een eigen verhaal.
En misschien is dat wel precies waarom ik dit soort oude psychiatrieboeken zo graag lees.